De paarse bank
In de podcast De Paarse Bank horen we de verhalen van vijf jongeren uit de Zaanstreek. Zij delen hun ervaringen met een periode van ‘niet thuis’, maar ergens ‘in verblijf’ zijn.
Hoe is het zo gekomen? Hoe hebben zij die tijd beleefd & wie of wat heeft hen op welke manier geholpen? En waar staan ze nu?
Iedere aflevering begint met een portret van één van de jongeren, gevolgd door een thema: Gehoord worden, Thuis voelen, Support vinden, een Goal hebben en Voorbij de diagnose.
De paarse bank
Support
Use Left/Right to seek, Home/End to jump to start or end. Hold shift to jump forward or backward.
Deze aflevering start met het verhaal van Tamara. Het thema van deze 3e aflevering is Support vinden. Want wanneer en waar, bij wie heb je support gevonden? Wie stond er altijd echt naast je? En welke keuzes zijn gemaakt voor professionele ondersteuning?
Goed dat je luistert naar de derde aflevering van de Paarse Bank. In deze podcastserie hoor je verhalen van vijf mensen uit de gemeente Zaanstad die als kind of jongeren in verblijf hebben gezeten. Veel jongeren komen in aanraking met jeugdhulp. Om je een beeld te geven, alleen al in de eerste helft van 2024 waren er meer dan 300.000 jongeren in Nederland die hulp nodig hadden. Dat is het CBS. Vaak is de hulp nodig voor de psychische problemen waarmee deze jongeren en of hun ouders te maken krijgen. Soms wordt hulp geboden bij gedragsproblemen of bij een verstandelijke beperking. Van de groep jongeren die wordt geholpen wonen er meer dan 30.000 niet meer thuis. Maar bijvoorbeeld in een pleeggezin, gezinshuis of in een instelling. In iedere podcastaflevering beginnen we met het verhaal van één van de vijf vertellers. Vandaag is dat Tamara. Tamara had een moeilijke jeugd. Ha moeder was alcoholist en dus ging Tamara op jonge leeftijd al veel zorg dragen. Nu heeft ze zelf drie dochters, met wie het ook niet altijd even goed gaat. De oudste werd zelf ook uit huis geplaatst, net als Tamara toen ze jong was. Inmiddels werkt Tamara zelf in de jeugdhulpverlening en probeert ze de support te bieden die ze zelf gemist had. Na haar verhaal gaan we verder door op een van de thema's waarover Tamara vertelt. Geen goede jeugd gehad. Ik had een vader die een criminele achtergrond had en mijn moeder was alcoholist. Dus ik ben eigenlijk alleen groot geworden. Ik had nog een broertje en een zusje. Mijn moeder kreeg mijn broertje toen ik 12 was. Dus toen begon ik eigenlijk met zorgen. Want mijn moeder kon dat gewoon niet. Dat ging niet. Dus dat deed ik. Op mijn veertiende ben ik toen moeten stoppen met school. Hoe dat ooit heeft gekund, dat snap ik de dag van vandaag niet. Maar ik heb mijn school dus niet kunnen afmaken. Ik was thuis. Ik ben ook uit huis geplaatst geweest door jeugdzorgen. Ikzelf bij mijn moeder toen. En toen heeft mijn vader mij ontvoerd naar Chili. Voor drie, vier maanden of zo, heeft hij me daar vastgehouden. Toen kwam ik teruggehouden bij Interpol. Toen kwam er een rechtszaak en toen mocht ik ineens naar huis. En vanaf dat moment ging het eigenlijk gewoon weer doordat ik zwanger, raakte van mijn oudste dochter. En kan je iets herinneren van dat verblijf toe, zeg maar, toen je uit huis werd geplaatst, weet je daar nog iets van? Ja, ik zat ook in een gesloten plaatsing was. Ik weet niet of dat nu nog steeds bestaat, volgens mij niet. Maar daar zat ik toen. Maar ja, dat is nee, fijn is anders. Nee, het was echt vreselijk. Daarom dat ik het ook zo vreselijk had. En hoe oud was je toen eigenlijk? Ik was toen vijftien. Ja, vijftien was ik. Maar dat is dan maar kort geweest, denk ik. Ja, want hij kwam me ophalen en zij had tegen de leiding gezegd dat mijn opa was overleden. Dat was helemaal niet zo, want we gingen naar mijn opa toe. Maar toen heeft hij me daar uiteindelijk drie of vier maanden vastgehaald en toen was ik weer terug. En bij de terugkomst kon je wel bij moeder weer in de moest ik wachten op een zitting en die zitting kwam. En ja, hij ging daar vreselijk te keer. Waarop jeugdzorg, denk ik, een soort van angst had. En toen mocht ik weer terug naar mijn moeder. Dat is wat ik nog weet. Dat ik weer terug naar huis ging en dat ik meteen weer de draad oppak met mijn broedje. En had je dat anders gewild, maar zeker. Wat zou je gewild hebben? Ja, ik had sowieso heel erg voor mijn moeder gewild toen. En dat gebeurde niet. Dat was er niet. Als iemand van het heten toen de tijd. Dat was vroeger, en die meneer kwam één keer in de twee weken koffie drinken. En dan. Ik weet nog wel dat hij tegen ons zei, tegen mij, mijn zusje, nou ja, weet je, als je moeder s'avonds een beetje in de war is, dan kan je ook gewoon een pilletje in een biertje gooien. Dat ik dacht, nou, dat hebben we nooit gedaan, natuurlijk. Maar ik bedoel, dat is de hulpverlening. We komen bij je langs, we vinden ergens iets van. En vervolgens gaan wij naar huis en zoeken het maar uit. En wanneer het uit de hand loopt, dan ineens zijn er 30 hulpverleners. Oh, oké. Maar nu was het gewoon, oh, die mevrouw, ja die zich is niet in orde en die schreeuwt maar wat en die drinkt hier. Medicatie, dan zat ze weer een paar maanden op de paasafdeling weer naar huis. Ja, dat soort dingen. Ja, had wel een buurvrouw toen de tijd. Maar als ik daar achteraf aan terugdenk, en laatst had ik ook toevallig weer contact met haar, hebben we heel lang zitten praten samen. Het is natuurlijk eigenlijk van de slotte dat zij mij op mijn twaalfde belde ik aan van ja, buvrouw, mijn moeder heeft bier gedronken en mijn broertje krijgt borstvoeding. Klopt dat wel? Weet je, dat klopt volgens mij niet. En zij reed met mij s'avonds naar de apotheek om flesvoeding te kopen. En zij legde mij uit naar zo moet je een flesje maken. En ik ben vanaf dat moment mijn broertje gaan voeden op mijn twaalfde. Terwijl als buvrouw, zou je ook moeten denken dat is niet oké. Of dat is. Snap je wat ik bedoel? Maar je ging het toen ook in die periode naar school? Nee, ik ging niet naar school. Ja, want u viertiende was je gestroef volgens mij. Buren, docenten op school, ouders van vriendjes, ooms en tantes. Ze vormen vaak een netwerk van support. Zij zijn de eerste die een probleem zullen signaleren en hopelijk zo nodig aan de bel trekken. Maar soms is het noodzakelijk om een beroep te doen op de professionele hulpverlening. Maar uitreiken is niet per se makkelijk. En toen werd ik zelf jongmoeder op mijn achttiende. En eigenlijk al vrij snel raakte ik mijn woning kwijt. Toen ben ik ook in een opvanghuis is dat jouw voormoeders. Ja, in Amsterdam was dat. En hoe was dat voor jou daar? Nou, dat was heel heftig. Vooral de mensen die daar ook zaten, natuurlijk. Ik ben niemand, ik wil altijd iedereen helpen. Nou, het is ook niet echt handig natuurlijk. Dus ja, op een gegeven moment zat ik met zes, zeven kinderen. Iedereen, dus nee, het was nee niet oké. Nee, het is echt vreselijk dat ik daar heb moeten zijn. Weet je, dat besef, ik had gewoon niemand. Ik had geen ouders die mij konden opvangen en er voor mij kon. Ik was gewoon alleen, dat besef. En de Chileense kant, zeg maar, waar mijn vader vandaan kom, die zeiden gewoon: volhouden. Het is een beetje een cultuur. Je mag niet over praten, hè. Je mag niet. Ja, wel gewoon met mijn tanten zelf, maar ik mocht het niet naar buiten brengen. Vooral doorgaande dan waarschijnlijk. Precies, en je familie lost het wel op. En ook bijvoorbeeld toen ik naar die opvang moest, waarom ga je naar een opvang? Je kan ook gewoon bij je vader. Of bij. Dat is een beetje een cultuur dingetje. Tussendoor kreeg ik nog twee kindjes. En met hun jarenlang eigenlijk rondgezorven doordat ik een urgentie kreeg. En toen begon ik eigenlijk ook meteen weer op te leven. Toen dacht ik, nou, ik wil wat gaan doen. Ik wil gaan werken, ik wil studeren. Maar toen kreeg ik een hele leuke brief van de Belastingdienst. Dat ik geld terug moest betalen. En toen werd ik bestempeld als vrouw deur kwam ik er ook nog achter dat alle drie mijn oudste kinderen ernstig seksueel misbruikt zijn door mijn eigen vader. To werd eventjes alles zwart, eigenlijk. En tot overmaat van ramp overleed hun vader drie maanden later, toen dat nieuws naar buiten kwam. Dus toen was het eigenlijk wel klaar. Dus het was en de toeslagenverder, waar niemand toen nog wat van wist. Want ik was eigenlijk meteen al fraudeur. Zo moet je het zien. Bij elke instantie waar ik binnenkwam lopen, werd ik eigenlijk niet serieus genomen. En ja, werd er naar mij gekeken van. Nou, moet je die moeten kijken. Problematieke schulden, hoe kan dat? Dus mijn kinderen hebben ook nooit de hulp gekregen die ze eigenlijk op dat moment heel hard nodig hadden. Mijn oudste dochter is bijvoorbeeld uit huis geplaatst, die is bij ons weggehaald. Die heeft daar weer van alles moeten meemaken in die instellingen. Waar ik ook tegenbleef vechten. Maar goed, ik was maar die vrouw deur, maar ik bleef wel volhouden. Ik bleef volhouden. Dit klopt niet, het kan niet. Het gebeurde met die kinderen da binnen. Waar is de begeleiding? Waar is de behandeling? En tot de dag van vandaag ben ik wel nog steeds. Ook met de kinderen die zijn nu 23, 18 en 17. Ja, er is gewoon geen hulp. Dat is eigenlijk waar het op neerkomt. Als je je kind aanmeldt, heb je pas 9 maanden of 12 maanden later kan je kind terecht. En in de tussentijd is die jongeren of dat kind natuurlijk steeds verder af. Want die ouders die proberen zoveel mogelijk op te vangen. Maar je bent geen psychiater. En het is al helemaal niet gezond om dat voor je kind te gaan worden? In deze aflevering zullen we verder ingaan op het thema support. Wie was er ter ondersteuning toen het minder goed ging met de jongeren? Hoe kan het dat er vaak pas laat hulp komt als er überhaupt al hulp komt? Hadden situaties voorkomen kunnen worden. En ook, wat is er nodig om een heel netwerk van support te laten ontstaan? De volgende die je hoort, is Eline. Ze had het niet makkelijk toen ze jong was. Haar problemen begonnen al toen ze nog in Nederland woonde, maar toen ze op haar zevende naar Frankrijk verhuisden met haar moeder en de nieuwe vriend van haar moeder, ging het steeds verder bergafwaarts. Ja, echt van een jonge leeftijd dat ik ook wel is had gezegd van ja, eigenlijk wil ik helemaal niet leven, waar moet ik leven? Op een hele jonge leeftijd had ik dat al. Maar groep 1, 2, 3 vertoon ik ook al ander gedrag. Gewoon ik niet echt begreep wat mensen voor mij wilden. Dat ik hele duidelijke aanwijzingen nodig had om iets te doen. En is daar toen mee aan de slag geweest? Of is er iemand toen mee aan de slag geweest? Nee, op dat moment niet. Voor mij hebben wel Juven tegen jou gezegd dat ik daar moeite mee had. Maar dus toen niet dat we hulp zijn gezoeken om te kijken wat dat nou was. Omdat we natuurlijk, toen zijn we verhuisd en in Frankrijk gaat dat echt heel anders. Daar heb je tussen school en ouders geen contact. Dus het gaat er niet over hoe een kind op school gaat. En ik denk dat het daar mis is gegaan. Want daar had ik ook last van dat ik niet goed kon leren, ik kon niet goed concentreren. En ik heb toen natuurlijk wel zeggen mama gezegd van ja, ik weet niet zo goed wat ik met mezelf moet op zo'n manier. En dat zei mama van ja, we gaan wel hulp zoeken. En dat heb ik toen ook wel gehad in Frankrijk. Maar dat was niet de psychologische hulp waar je hiervan kan spreken. Dat was echt, voor mij zien zij er alleen een probleem als je thuis mishandeld werd. Dus er werd ook steeds tegen mij gezegd van ja, volgens mij gebeurt er thuis gewoon iets waardoor jij zo bent, maar dat was niet het geval. Dus dat hielp toen niet. Dus we hebben wel hulp gezocht. Maar in een ander land is dat toch wel heel moeilijk. Vooral je eigen taal niet natuurlijk. En de hulpverlening was daar ook gewoon niet in orde. En in 2017 zijn we terug van Nederland, omdat het met mij niet goed ging en mijn opa was heel erg ziek, die had kanker. Dus daar wilden we ook gewoon bij zijn. Dus toen hebben we toch de keuze gemaakt om terug te gaan. Dus toen ben ik in september meteen naar de huisarts gegaan, want we zijn in juli volgens mij teruggekomen. Van ja, dit speelt er nu, weet je dat ik mezelf pijn deed en dat het niet goed met me ging. We moeten hulp hebben. Toen ben ik via de huisarts doorverwezen naar een psycholoog. En dan gaat dat balletje heel snel snel rollig. In die tijd was het nog iets minder lange wachttijd. En nu wil je daar eigenlijk ook niet meer op wachten. Want dan moet je ook wel een ruim een jaar wachten. Maar ik was toen wel snel aan de beurs, maar heeft daar twee, drie maanden tussen gezeten en toen kon ik al naar mijn eerste afspraak. Wel heel veel psychologen gehad, dat wel. Want het kliekte steeds niet, maar ik wilde zelf ook niet. Je hebt toch een beetje idee, waar moet ik naar een psycholoog, maar mijn andere leeftijdsgenoten niet. Dus ga je toch een beetje opstandig doen van nou, ik hoef het gesprek niet aan te gaan, terwijl je wel heel erg de hulp nodig hebt. Ik was toch heel erg in de veronderstelling: van ja, het ligt niet aan mij. Jullie kunnen mij gewoon niet helpen. Dus door naar de volgende. Dus ik denk dat ik in mijn leven wel iets van acht psycholoog heb gehad of zo om het echt wel heel veel. Uiteindelijk werd Eline opgenomen ter indicatie. Maar daar ontbrak het aan professionele begeleiding. Je moet toch wel voor die opname wel stabiel zijn. En dat was ik gewoon niet. Ik ging een medicatie afbouwen en op een gegeven moment. Ik werd helemaal. Ik ben echt hysterisch daar geweest. Het was niet mijn plek. Dus ik ben daar denk ik na twee, drie weken al naar huis gestuurd, als ik het goed zeg. Goed overleg. En goed overleg, wel hoor. Wel dat we samen hebben gezegd van hier stoppen wij mee. En toen zijn we eigenlijk een beetje op het punt gekomen dat ook de hulpverleners zeiden van, nou ja, wij weten het niet meer. Dus ik zou er maar rekening mee houden dat het niet beter wordt, om het maar even zo te zeggen. En toen dacht ik zelf van, nou ja, dus nou niet dat ik er heel erg naar uitkijk om de rest van mijn leven zo bij te zitten. Dus toen ben ik zelf gaan kijken naar plekken. En toen heb ik een kliniek gevonden waar je tien weken intern gaat, waar je ook de eerste vijf weken geen contact hebt met de buitenwereld. Dus je spreekt je moeder, zus echt niemand. Alleen je behandelaren en de andere mensen die daar werken, dat zijn ook allemaal ervaringsdeskundigen. En toen is het toch wel omgeslagen, om het maar zo te zeggen. Toen ging het heel snel de goede kant om gelukkig. Bij de laatste kliniek waar Elin behandeld is, kregen haar vader en moeder ook gesprekken en therapie. Ook voor hen kwam er support en ondersteuning. Dat was erg behulpzaam, ook voor Elin. Toen haar moeder haar minder in bescherming nam, leerde Elin ook meer verantwoordelijkheid te dragen voor haar eigen leven en welzijn. Bij mijn laatste behandeling die ik heb gehad, heeft mijn moeder en mijn vader hebben toen oude sessies gehad. Dan gaan ze het dus ook hebben over wat ouders gedaan hebben, maar ook wat ouders dus goed bedoelen, maar verkeerd doen. En dat is bijvoorbeeld dat mijn moeder was heel erg van mij heel erg beschermen. En ik kon nooit iets verkeerd doen. Ze werd nooit boos. Ik werd nooit gestraft of zo. Ik was echt. Ja, ik denk, zo fragiel werd ik gezien dat er niks tegen mij gezegd werd. Waarvan ze dacht, nou, dat kan een verkeerd effect op haar hebben. En juist hebben ze daar ook gezegd. Ja, maar het is wel belangrijk dat je blijft opvoeden. Dat is wel heel belangrijk. En dat mis je wel op sommige plekken nog eens dat je heel vaak te horen krijgt van ja, maar je kan er niks aan doen, want je bent gewoon ziek of zo. Terwijl je kan er echt wel wat aan doen. Je moet er wel wat aan gaan doen, want het is geen leven zo. Maar dat hoor je hier wel heel vaak. Dat je zeggen: ja, je kan er niks aan doen of het ligt aan je moeder of aan je vader. Je hebt er altijd een eigen stukje in wat je zelf doet. Ook ontmoeten Elin in de kliniek andere jongeren die met dezelfde problemen rondliepen. Er ontstond rondom haar een steeds stabieler en sterker netwerk, waar ze ook op durf te leunen, waarnaar ze durft uit te reiken. Het zijn vrienden die het zelfs hebben meegemaakt, kan je elkaar ook altijd bellen als het kut met je gaat van hé, ik loop nu hier tegenaan. Want we hebben dat allemaal al een keer gehad dat je uit de kliniek komt en denkt ja shit, dit is weer het echte leven en nu. En dan kan je elkaar toch bellen. Ook mensen die al vijf jaar uit de kliniek zijn van hé, ik ben er nu een jaar uit, maar ik merk dat ik hier en hier tegenaan loop. Hoe heb jij dat gedaan? En je hebt zelf hulpgeroepen en zo. Dus zo, bijvoorbeeld AA heb je, word ook heel erg van ga daarheen of ga naar andere soort meetings die passend zijn bij jou. Dus dan ben je echt onder mensen die zichzelf ook proberen te helpen en jou daardoor ook. En dat helpt ook wel goed. Dat je echt ziet dat je niet alleen bent. Want het voelt ergens ook heel eenzaam om problemen te hebben. Want mijn vrienden die ik voor de kliniek hadden, die gingen naar school, die hadden feestjes en ik zat daar een beetje van ja, ik heb niks. En dat is nu wel een heel groot verschil, eigenlijk. Minder eenzaam is dat echt. Albana is de volgende verteller. Albana werd op haar elfde uit huis geplaatst. Haar vader had een traumatisch oorlogsverleden waarmee hij moest dealen. En bovendien een nieuw gezin. Bij Albana's moeder ging het thuis ook niet meer. Albana komt dan in verschillende instellingen te wonen en moet vaak heel vaak verhuizen. Ja, nou ja, de ene was een gesloten instelling, daar zit je dan een x-aantal maanden wat wordt voorgelegd. Dan gaan ze bijvoorbeeld weer naar een open instelling om te kijken hoe het dan gaat. Daar zit je dan ook een x aantal maanden. Dan zien ze dat misschien daar niet de correcte zorg voor jou is, dan wordt je weer overgeplaatst naar een andere. En dan gebeurt er weer iets en dan ga je weer naar een andere. En zo switch je eigenlijk continu van school, omgeving, vertrouwen. En je kon niet bij jouw vader ook terecht? Nee. Mijn vader was voor jeugdzorg sowieso geen optie. En mijn vader had ook een nieuw gezin. Dus dat was heel lastig om dat als hij bezig is met vier andere kinderen en een nieuwe vrouw, en dan komt er een jong meisje die toch wel hulp nodig heeft en gedragsproblemen heeft, is dat heel lastig om dat te combineren. En ik denk dat mijn stiekmoeder ook niet zat te wachten op om bij haar te gaan wonen terwijl kinderen netjes probeert op te voeden. En dan kwam ik daartussen met problemen. Dus dat was eigenlijk nooit een optie geweest. Nee. Schoolboot houvast voor Albana. Maar steeds moest ze verhuizen en dus ook van school veranderen. Onderwijs op haar eigen niveau ontbrak. Maar soms was er dan plots iemand die haar wel zag die ervoor zorgde dat ze les kreeg op haar eigen niveau. Ik moest dus van HAVO VWO naar het MAVO in Hoofddorpen op school ging ik daar op school en toen zei, was die afdelingsleider gewoon heel erg benieuwd waarom ik met altijd met andere volwassenen op school kwam. Dus met een keer met een voog, een keer met een ambulance hulpverlener en een keer met dat. Ze was gewoon nieuwsgierig. Dus die ging gewoon met mij in gesprek van hey, ik wil niet misschien hele persoonlijke vragen stellen: waarom ben jij elke keer met een andere persoon? En waarom kom je niet gewoon alleen naar school? Toeg ja, ik zit hier in de buurt in een instelling en dit en dat en zo en zo. Toen zei ze ook van wat heb je hiervoor gedaan? Ik zei ja, haven VWO. En die heeft mij toen ook heel erg geholpen met dat ik extra lessen kon bijwonen. Af en toe van VWO-klasse bijvoorbeeld. En dan ging ik een uurtje op de donderdag om vier uur meedoen bij een VWO-klas. Het was niet op papier legit dat ik dan een diploma van dat zou krijgen, maar meer om mij te stimuleren en me te prikkelen van. Dit is jouw niveau. Dus blijf geprikkeld. En meer kon ze ook niet voor mij doen. Maar ik kon wel af en toe zo'n les bijvoorbeeld bijwonen. Dus dat was weer zo'n moment dat ik denk, hé, dit is wel zo iemand die weer gevoel heeft en zijn best doet om toch nog even iets bij te dragen. De vrouw die op de achtergrond soms al hoort meepraten, is één van de belangrijkste personen in het turbulente leven van Abana. En is er iemand in die tijd geweest die jou zag zoals je echt was? Ja, dat is Remy. Eigenlijk mijn engel, mijn redde de engel, zij is er vanaf het aller aller begin. Gewoon echt het begin geweest van dat ik elf jaar was en het huis ging. En she is still here. Heel mooi computer. Dus zit er even bij voor mental support. Ik had een voogd ook. Dus mijn ouders hadden geen gezover over mij. En dan had ik, zeg maar, René, die eigenlijk mijn hulpverlener was, die mij hield met naar afspraken toegaan, die bij mij op bezoek kwam met mij te praten, die met mij meeging naar als ik bijvoorbeeld naar een open instelling, gesloten instelling, besloten instelling ging, et cetera. Weet je, al die plekken waar ik dan heen ging, ging zij dan met mij mee. Het is wel heel fijn dat je wel zo iemand had. Zeker. En dat vind ik zelf heel erg waardevol. En ik vind het heel jammer dat het zo waardevol moet zijn in hulpverlening. Want ik heb met zoveel verschillende jongeren geleefd, gewoon, gepraat, gelachen, gehuild, waarvan ik weet dat hun dat niet hebben. Dus dat is dan zo, ja, ik weet niet hoe ik dat moet zeggen, dat is zo teleurstellend eigenlijk in hulpverlening. Omdat er zoveel hulpverleners zijn, moet je nagaan wat voor percentage het is, waarvan jij denkt dat is niet zo oprecht als dat het moet zijn. Maar wat ik nog even terug vind. Eigenlijk is Remy de enige die het blijkbaar anders denkt. En daar voelde je wel gehoord. En wat heeft zij wat de anderen niet hebben voor jou? Ja, zij luistert naar mij zonder tien mapjes bij zich te hebben, zonder twintig rapportages te lezen en weet ik veel wat. Zij luistert gewoon naar mij, ze vraagt wat ik wil. Ze vraagt wat ik denk dat goed voor mij is. En daarop gebaseerd maakt zij dan haar keus. Kijk, soms zeg ik dingen waarvan ik denk van oh, dat is goed voor mij en dan denk ze, ja, dat is volgens mij niet zo goed. Maar zij gaat met mij praten van misschien is dit voor jou goed, misschien is dit voor jou goed. Of weet je, misschien voel je je hierom zo. Of misschien kan je dit misschien proberen. Het is heel erg meer liefdevol. In een zin van hé, ik ben er voor jou. En ik probeer het beste voor jou. En ook ik kan een fout maken. Maar dan heb ik in ieder geval mijn best gedaan om de keuze zo goed mogelijk te maken. Dus er werd echt gewoon van oké, ik wil dat jij je goed voelt erbij. Ik wil dat als deze keuze. Het is al lastig genoeg als jongeren dat er continu keuzes voor jou worden gemaakt. En dat je continu maar ja moet knikken. En is goed moet en je spullen maar moet inpakken en daar gaan we weer. Maar zij was er gewoon echt voor mij. Chantal ging naar speciaal onderwijs. En thuis had ze veel problemen met haar vader. Ze wil niet in detail treden als ze terugblikt op die periode. Had er iets anders kunnen gaan? Was er meer hulp of ondersteuning nodig geweest? Ja, ik weet het eigenlijk niet. Hoe het is gegaan, dat had toch niet geholpen om het anders te hopen, zeg maar. Want had je het ook wel eens bijvoorbeeld op school verteld of zo wat er dan thuis gebeurde? Nee, alleen tegen mijn mentor. Oké, die wist het wel. Kon je daar wel met iemand over praten? Ja. De begeleiding die weet ook wat er is gebeurd. Je had wel begeleiding zelf. Oké. Die kwamen dan thuis of gingen dan dingen met jou doen of nee, niet toen. Toen niet. Nu ook nu. Maar toen had je niet dat je erover kon praten. Alleen tegen mijn moeder. Wanneer Chantal al wat ouder is, gaat ze bij iemand wonen waarvan ze dacht dat het de ware was voor haar. Dat bleek anders te zijn. Hoe kan het dat op een buurman na niemand om haar heen dit zag aankomen? Waarom trok er niemand eerder aan de bel? Nou ja, in die periode ging het niet zo goed die zeven, acht jaar. Ik weet niet of je dat woord nazist kent. Dat was hij dus. Alleen, je weet wat ze wel eens zeggen: liefde maakt blind. En je komt er pas later achter dat je weg moet, dat het geen gezonde relatie is. En mijn buurjongen, buurman, die naast hem woonde, trok een beetje op tijd aan de bel. Die zei van ga hier weg en toen ben ik ook weggegaan. Alleen, ik had geen ander huis, geen eigen huis waar ik terecht kon. Chantal besloot gelukkig om hulp te zoeken. Zowel professionele hulp als hulp uit haar omgeving. Heb je zelf toen om die hulp gevraagd? Hoe is dat bij jou? Ik heb zelf gevraagd to gedacht. Want ik had wel eens het moment dat we ruzie hadden, wist ik even geen raad hoe ik ermee om moest gaan. Een nazist houdt er ook niet van als als je contact hebt met je eigen familie. Je wereldje wordt gewoon heel erg klein. Je moet dan afkappen met je vrienden en weet het allemaal. En toen dacht ik van ja, ik als ik geen hulp krijg, dan ben ik gewoon weg. Liets weg dat ik dan wegga, maar dat ik gewoon mezelf kwijt ben. Kon je met die begeleiding praten daarover, of was dat in het begin nog niet wat je kon. In het begin moesten we elk jaar een beetje leren kennen, een beetje uitvogelen wat ik kan zeggen en of ze me hierbij kan helpen. En dan late ik dacht van nou ja, zij kan me wel helpen hiermee en ik heb een goede ombij kwijt te doen. Toen zei ze al van zorg wel dat als het erger wordt, we hebben bij Leijzenstraat hebben een logiekamer, daar ben je altijd terecht. Daar heb ik ook drie keer gebruik van gemaakt. Toen ik tegen mezelf van dit kan gewoon niet meer. Met behulp van die buurman ben ik daar weggegaan. Dus ik heb een nichtje gebeld. Toen ben ik naar mijn nichtje gelacht gaan logeren twee nachtjes. Toen kon ik bij mijn vriendin logeren toen ik mijn eigen plekje kreeg. Dat ik mijn eigen huisje had. En zij heeft mij toen ook geholpen met naar alles schoonmaken. Zorgen dat ik mijn eigen inrichting krijg. En ook geholpen met Facebookpagina's in de gaten houden waar alles gratis. Een beetje hulp van mensen die belangrijk voor je waren. En kon je terug naar je ouders? Hoe zat dat toen? Ik kon niet terug naar mijn ouders, want mijn moeder was in 2014 overleden onverwachts. En weet dat ze nog maar 39 jaar. Jeetje, oh ja, dat is wel jong. En mijn vader ook niet meer terug, want die heeft dingen geflikt waar ik waar ik niet mee eens ben. En er was ook geen oma of tante of iemand anders waar je naartoe kon, eigenlijk nee. Omdat je naar een vriendin hebt. Het enige familielid die ik wel dichtbij had, was mijn lichtje. En nu heb je ook wel weer wat vriendinnen hoorde ik je zeggen. Ja. Dus je hebt ook wel gezien. Mijn bovenbuurvrouw op drie hoog ben ik goede vrienden mee. En ik heb ook buitenaf goede vrienden gemaakt. Nou, wat goed. Ik hoef niet veel vrienden te hebben. Maar ik vind het veel belangrijker dat je goede vrienden hebt waar je aan wat aan hebt. Niet dat het alleen van één kant moet komen. De volgende die je hoort, is Marleen. Marleen is toen het thuis niet meer ging, uit huis geplaatst. Dat voor mij echt begon. Ik heb best wel lastige ouders gehad altijd. Best wel een lastige thuissituatie. En ik denk rond een jaar of tien, elf is dat uit de hand gelopen en ben ik uit huis gegaan, uit huis geplaatst. Ja, gewoon. Mijn moeder was best wel depressief en medisch niet echt oké. En mijn vader die had losse handjes. En ja, dat was gewoon best wel manipulatieve, ongezonde relatie met z'n allen. Dat liep gewoon best wel vaak uit de hand. En mijn jeugdzorg was wel altijd al betrokken bij mij, sinds ik vrij jong was. Ik denk drie of vier, denk ik. Dat ze al betrokken bij mij waren. Dus eigenlijk was het eigenlijk een vrij logische stap om te zeggen van misschien is het beter om niet thuis te wonen. Support in de vorm van psychologische begeleiding in therapie, wordt vanuit verschillende kanten aangeboden. Maar heeft zoiets wel zin als je daar eigenlijk zelf niet voor openstaat? Nou ja, in het begin dat ik uit huis geplaatst werd, toen werd ik best wel gepusht om bijvoorbeeld naar therapie te gaan. Of naar een psycholoog of iets dergelijks. En ik had er al echt honderd gezien. Dus ik had daar helemaal geen zin meer in. Ik dacht echt, ik ben beter af zonder. Het gaat prima met mij zonder. Dan hoef ik ook geen tijd vrij te maken om erheen te gaan. Dan hoef ik er niet heen te gaan. Want dat is het ook nog. Jij wil naar de psycholoog, dus dan moet je er ook nog eens jezelf heen. Om daar nog eens even je roal uit te gaan leggen. En dan maar weer met een rol gevoel naar huis te gaan. Ja, ik had daar normaal geen zin in. Maar toch best wel elke dag aan tafel zeggen van ja, maar alleen zou het niet goed zijn. Of is het niet beter voor je? Dat is weer zo'n punt. Ik weet het zelf wel beter wat ik nodig heb. Wat zou je willen? Wat ik zou willen, ja, een hele goede vraag. Een papa en mama die heel veel van me houden. Onvoorwaardelijk. Ik denk dat dat voor mij het belangrijkste is dat ik ook een keer zou weten wat het is om onvoorwaardelijk van gehouden te worden. Ik denk dat dat het enige is waarvan ik nu zeg, dat zou ik echt heel graag willen. Ik hoef ook niet meer per se thuis te wonen. Want ik denk dat dat helemaal fout gaat. Als iemand mij nu gaat vertellen hoe ik naar bed moet. Dan ga ik je echt aankijken en zeggen. Hoe bedoel ik? Wat denk je nou zelf? Dat gaat dus niet gebeuren. Maar ja, gewoon een stukje onvoorwaardelijke liefde vooral. Vooral onvowaardelijk liefde, dat kan je vooral krijgen. Onvoorwaardelijk is wel een familiedingetje. En dat is niet echt aanwezig. Dus ja, dat zou ik wel willen. Er is één iemand in het leven van Marleen. Van wie ze die onvoorwaardelijke liefde waar ze zo naar verlangt, krijgt. Ja, mijn oma. Maar die is er helaas niet meer. Dus ja, zij was wel zeg maar mijn onvoorwaardelijke liefdebron. En zij hield me met alles al was het hier, hoe snel stond ze daar. Zij was ook echt mijn beste vriendin. Ik deed alles met haar. Ik was elke dag met haar. En ja, als dat dan ook wegvalt, dan is het al helemaal zo. Wie ga je dan die liefde halen? Dus dat maakt het wel heel moeilijk. Ja, dat is wel het overlijden van mijn oma is wel iets de moeilijkste gebeurtenis in mijn leven. Als ik kijk naar alles wat ik heb meegemaakt, dat dat wel. Op een of andere manier toch echt wel het toppuntje van de ijsberg is. Er zijn echt veel vreselijkere dingen gebeurd dan dat. Maar dat was voor mij. Mijn vangnet viel weg. Dus als ik dan nu slaag of zo ik voor mijn auto theorie. Ik ging mijn homo op en weer geslaagd. Oh, hij ben gezakt. Kom maar, goed, we doen het gewoon nog een keer. Ja, en dat mis je dan wel. Het is weg. Het is er niet meer. En besef dat je het ook niet meer terug gaat krijgen, is wel heel moeilijk. Dat vind ik nog een moeilijkste, denk ik. Inmiddels woont Marleen begeleid. Ze is de achttien gepasseerd, maar ze is er nog niet aan toe om helemaal op eigen benen te staan. Dus wacht ze tot er een plan komt om haar te ondersteunen. En dat wachten duurt soms lang. Ik zit nu in de verlengde jeugdzorg. Daar val ik nu onder, en ben bezig om dat te verlengen. Want ja, ik ben er wel heel graag, ik kan het ook wel zelf, maar toch de emotionele steun heb ik af en toe echt nog wat nodig. Dus ik ga nu in een soort traject en daar gaan ze dan weer verlengde jeugdzor aanvragen. En dan gaan ze je overgeven aan het wijkteam, als ik het goed zeg, wordt ik nu overgeven. En die gaan dan met mij kijken van over particulier wonen. Hoe nu verder. Ustroom plan. Maar dat gaat allemaal niet zo heel snel. En het wordt niet heel serieus genomen. En ja, ik denk dat het gewoon een van mijn dingen is van vroeger dat ik niet heel serieus genomen werd altijd met wat ik zei en wat ik vond. En ik haal het om het gevoel te hebben dat ik niet serieus genomen word. Er werd nog niet echt gekeken naar wat ik nodig had. En meer gekeken naar dat bijvoorbeeld school moest goed gaan. Ik moest natuurlijk wel wat sociaals doen in mijn leven. Ik moest mijn huiswerk maken. Dat was allemaal heel belangrijk. Maar wat ik nou eigenlijk echt nodig had, was gewoon dat iemand zei van oké, nu is het genoeg geweest. Jullie laten mee gewoon even lekker met rust. Zij gaat nu gewoon even doen wat zij wil doen. Want het is gewoon te veel: het hoofd zit vol. Waarom wil je daar nog meer bij gaan proppen? Dat kan niet. Ik denk dat dat wel wat ik nodig had. Dankjewel voor het luisteren naar de derde aflevering van de Paarse Bank. Deze podcastserie kwam tot stand door een samenwerking tussen team narratieven van gemeente Zaanstad, de jeugdhulpverlening, ervaringsdeskundigen en haast. En natuurlijk door het openhartige vertellen van de vertellers. Mijn naam is Kitty Muniges, en in de volgende aflevering zullen we het gaan hebben over een doel hebben in het leven.